Cassatie spreekt zich uit over het sterfhuisbeding
Het Hof van Cassatie heeft zich op 10 december 2010 uitgesproken over het zogenaamde "sterfhuisbeding".
Dit beding kan onder gemeenschapsstelsels worden opgenomen in een huwelijkscontract waardoor het ganse gemeenschappelijk vermogen aan een van de echtgenoten – die met naam genoemd wordt ("de man" of "de vrouw") – toebedeeld wordt.
In tegenstelling tot het bekende "verblijvingsbeding" is aan het sterfhuisbeding geen overlevingsvoorwaarde gekoppeld.
Door de afwezigheid van deze voorwaarde is de overgang ingevolge het sterfhuisbeding (op basis van de huidige wetgeving) dan ook vrij van successierechten daar waar dit bij het bekende "verblijvingsbeding" niet het geval is (en dit op basis van artikel 5 van het Wetboek Successierechten).
Artikel 5 van het Wetboek Successierechten bepaalt immers dat verkrijgingen van meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen via huwelijksovereenkomst "onder voorwaarde van overleving" worden onderworpen aan successierechten.
Het sterfhuisbeding wordt in de praktijk gebruikt wanneer duidelijk vaststaat wie van de beide partners als eerste zal komen te overlijden.
Om voormelde redenen dient echter bijzonder voorzichtig te worden omgesprongen met het gebruik ervan.
De fiscus trachtte recent de overgang ingevolge een sterfhuisconstructie toch te belasten met successierechten, niet op basis van artikel 5 maar wel op basis van artikel 2 van het Wetboek Successierechten.
De echtgenoten hadden immers eerst een aantal eigen goederen in de gemeenschap ingebracht en vervolgens een sterfhuisbeding op de (uitgebreide) gemeenschap van toepassing verklaard.
De fiscus voerde aan dat er successierechten verschuldigd waren op de overgang van de ingebrachte eigen goederen omdat het hier volgens haar om een zogenaamde "contractuele erfstelling" ging en deze onderworpen is aan successierechten (op basis van artikel 2 van het Wetboek successierechten).
Het Hof van Cassatie volgde de redenering van het Antwerpse Hof van Beroep en oordeelde dat het sterfhuisbeding geen contractuele erfstelling is maar wel een overeenkomst over het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten.
Zoals hierboven uiteengezet kunnen overeenkomsten over het gemeenschappelijk vermogen binnen de grenzen van artikel 5 Wetboek Successierechten met successierechten belast worden, maar is dit dus niet het geval voor het sterfhuisbeding, zelfs niet indien men dus eerst eigen goederen zou inbrengen in de gemeenschap en deze zou onderwerpen aan de bepalingen van het sterfhuisbeding.
De ingebrachte goederen zouden alleen aanzien kunnen worden als een "schenking" voor wat de erfrechtelijke reserve van de kinderen betreft (indien bepaalde limieten zoals bepaald in het burgerlijk wetboek worden overschreden). De reservataire erfgenamen zouden in dat geval kunnen argumenteren dat hun reserve werd aangetast en inkorting kunnen vorderen.
Op basis van o.m. het gelijkheidsprincipe (artikel 10 en 11 van de Grondwet) wordt in de rechtsleer dan ook al geargumenteerd dat wanneer het Hof van Cassatie het principe van het sterfhuisbeding (onder een gemeenschapsstelsel) als huwelijksovereenkomst erkent, dit ook het geval zou moeten zijn voor een verrekenbeding (onder een stelsel van scheiding van goederen), ook al spreekt het Hof zich hierover niet expliciet uit.
Finale verrekenbedingen kunnen aan een stelsel van scheiding van goederen worden toegevoegd om bij het overlijden van een van de echtgenoten de langstlevende door middel van een vordering de aangroei van de beide vermogens toe te bedelen "alsof" er een gemeenschap is.
Of de fiscus het hierbij zal laten (of daarentegen een wijziging van de wetgeving zal trachten te bekomen), dient nog afgewacht te worden.

Wenst u meer informatie over dit onderwerp?
Neem dan contact op met ons competence center familiale vermogensbegeleiding.