Eenheidsstatuut bis : gedaan met alle verschillen tussen arbeiders en bediende vanaf ten laatste 8 juli 2013

Share |

 

Reeds in haar arrest nr. 56/93 van 8 juli 1993 sprak het Grondwettelijk Hof (toen nog Arbitragehof) zich uit over het verschil in opzeggingstermijnen tussen arbeiders en bedienden. Het Hof oordeelde toen dat begin 20e eeuw het invoeren van het verschil tussen arbeiders en bedienden weliswaar verantwoord was, maar in de loop van decennia was de situatie dermate gewijzigd dat het onderscheid niet meer als objectief en redelijk werd beschouwd. Het Hof sprak zich in 1993 echter niet uit over een bepaalde termijn om de verschillen in behandeling weg te werken.

 

Deze verschillen zijn ook zeer divers, zowel op het vlak van het arbeidsrecht als het sociaal zekerheidsrecht en betreffen o.a. de proeftijd, het gewaarborgd loon, de bezoldiging, tijdelijke werkloosheid, vakantiegeld, bescherming tegen willekeurig ontslag, enz. De ene keer is de situatie voor de arbeiders gunstiger dan voor de bedienden, maar vaak ook omgekeerd.

 

De situatie is sinds 1993 wel verbeterd, zoals ook het Grondwettelijk Hof opmerkt in haar arrest van 7 juli waarin zij o.a. verwijst naar de Wet van 12 april 2011 die de opzegtermijnen aanpast voor arbeidsovereenkomsten die aanvangen vanaf 1 januari 2012. Het voegt daar echter aan toe dat de tijd waarover de wetgever mag beschikken om een vastgestelde ongrondwettige situatie te verhelpen niet onbegrensd is. Zij meent dan ook dat de geleidelijke harmonisatie van de statuten van de arbeiders en de bedienden niet langer verantwoordt, achttien jaar na het vorige arrest van het Hof, dat deze verschillen nog geruime tijd zouden worden behouden.

 

Het Hof besluit daarom met het aanvaarden van de huidige verschillen tot uiterlijk 8 juli 2013 waarbij de wetgever sedert het arrest van 8 juli 1993 over een voldoende lange termijn zal hebben kunnen beschikken om de harmonisatie van de statuten te voltooien.

 

Concreet zal er voorlopig niets wijzigen, behalve dan voor de arbeidsovereenkomsten die ingaan vanaf 1 januari 2012 en dit op basis van de eerder besproken wet van 12 april 2011. Theoretische kunnen andere rechtbanken dan de Arbeidsrechtbank van Brussel nog wel prejudiciële vragen stellen aan het Grondwettelijk Hof, maar wellicht handhaaft deze toch haar standpunt tot 8 juli 2013.

 

Er zal echter wel veel moeten veranderen. Het Hof sprak zich immers met dit arrest ook uit over de discriminatie op het vlak van de carenzdag voor arbeiders en laat duidelijk verstaan dat zij alle verschillen gestoeld op het onderscheid tussen intellectuele arbeid (bedienden) en handenarbeid (arbeiders) als ongrondwettelijk beschouwd.

 
© BDO 2010   | Disclaimer